Haar geschiedenis
Wie zijn wij ?
Vaak gestelde vragen
Onze stam
Onze bouviers in de film
Video's
Canimôme
Onze educatieve werkhonden
De bouvier op school
Kynotherapie
Desensitiseren
Stages
Video's
Tegenwoordig is het gebruikelijk om een late speenleeftijd (8 weken) aan te bevelen en aan te dringen op de opvoedende rol van de moeder tussen 4-5 weken en twee maanden (8-9 weken).
Wij willen het belang van de rol die de moeder speelt, zeker niet minimaliseren. Toch vinden we dat de ideale speenleeftijd ook van andere factoren afhangt.
De belangrijkste factoren zijn de moeder (fysiek aspect en gedrag) en de omgeving (stimulerend, zeer stimulerend of te weinig stimulerend).
- Zo moet er rekening worden gehouden met het ‘karakter' van de moeder, maar dat is een vaag begrip ... We spreken veeleer over het fenotype van de moeder, dat wil zeggen het zichtbare geheel van genetische aanleg en gedragspatronen, dat ze in de loop van haar leven heeft verworven tijdens de interactie met haar omgeving.
Alleen rekening houdend met de aanleg en het gedrag van de moeder in de omgang met haar pups, wordt een moeder ‘evenwichtig' bevonden wanneer ze niet te bezitterig met haar pups omgaat, maar ook niet te onverschillig of te opgewonden; wanneer ze zich gewoon en in voldoende mate moederlijk gedraagt.
Ze moet zich ook sociaal gedragen tegenover de mens en deze rustig laten naderen tot bij haar pups. Bovendien moet ze vlot verschillende stimuli verdragen; ze moet dus beschikken over een goede zintuiglijke zelfregulering, om haar jongen te helpen om te wennen aan verschillende omgevingsfactoren.
- de kenmerken van de omgeving: het gaat hier niet over de vraag of het nu beter is een pup te hebben die uit een fokkerij of uit een familie komt. Het gaat erom een stimulerende omgeving te onderscheiden van een zeer stimulerende omgeving of een te weinig stimulerende omgeving.
Hoe beïnvloeden deze verschillende factoren (de moeder enerzijds, de omgeving anderzijds) nu het bepalen van de speenleeftijd?
1) Voor de vraag of er moet worden gespeend bij 6 of 8 weken, moet rekening worden gehouden met de fysieke toestand van de moeder, en in het bijzonder met haar tepels, naast haar psychologische toestand - we vatten dit samen onder de noemer ‘goed fenotype'.
2) Nemen we het voorbeeld van de moeder die geen goed fenotype heeft (Moet zij zich dan wel voortplanten? Dat is in onze ogen de echte vraag; en het antwoord negatief!). In die omstandigheden is een speenleeftijd van 6 weken aan te bevelen. Aangezien de interactie met de moeder niet optimaal zal zijn, kan de mens (particulier of fokker) de gebreken van de moeder misschien compenseren en de pups correct socialiseren en stimuleren.
Maar als de moeder een heel goed fenotype heeft en haar tepels in goede staat zijn, moeten andere factoren worden bekeken, zoals de omgeving waar de pups met hun moeder leven en zich ontwikkelen.
3) Sommigen zijn ervan overtuigd dat pups die in een familie zijn geboren, beter gesocialiseerd en gestimuleerd worden dan die uit een fokkerij. Wij vinden dit onderscheid echter irrelevant. Wat belangrijk is, is het beoordelen van de stimulerende factoren in de omgeving en de frequentie en de duur ervan.
a. Op een plaats waar te weinig stimuli zijn, kunnen we zeker een relatief late speenleeftijd aanbevelen. Misschien kunnen de kwaliteiten van de moeder dan de tekorten van de omgeving compenseren (wat niet zeker is ...)
b. Dierenwinkels zijn zeker te stimulerende plaatsen (buitensporige, te harde geluidsstimuli), wat schadelijk is voor de goede ontwikkeling van de pups. Maar een gezin met kinderen kan ook te veel stimuli hebben (wel niet te vergelijken met een winkel!). Zo kunnen pups, ook al worden ze omringd door volwassenen en kinderen vol goede bedoelingen, toch worden ondergebracht in een ruimte waar te veel lawaai is (tv, videospelletjes, roepende kinderen, ...), een ruimte waar de stimuli te frequent voorkomen (de slaap van de pups kan hieronder lijden) of een ruimte waar ze te ruw of te vaak worden aangeraakt.
c. Het komt er dus op aan om een plaats te vinden waar de pups, die vanaf 6 weken geleidelijk aan worden gespeend (om de tepels te sparen), correct worden gestimuleerd en gesocialiseerd. Over de stimuli moet dus worden nagedacht (het mogen niet de normale stimuli van een gezinssituatie zijn: een stimulus moet altijd geleidelijk aan worden gegeven opdat de pup hem goed kan verwerken!).
Dus, om ervoor te zorgen dat een pup een stimulus kan verwerken en hem beschouwen als gewoon en normaal, moet hij er vaak aan worden blootgesteld en op een manier (aard en intensiteit) die hem niet angstig maakt.
Stimuli moeten enerzijds geleidelijk aan en anderzijds opbouwend worden gegeven:
- stimuli moeten frequent zijn, wat niet wil zeggen dat de pups om het uur moeten worden wakker gemaakt om ze te stimuleren! Min of meer dagelijks vanaf de 5e week.
- qua intensiteit moeten ze: zo gevarieerd mogelijk zijn, van zwak in het begin en vervolgens toenemend. Het principe is om de pup bloot te stellen aan stimuli die hij kan verdragen, vervolgens de intensiteit geleidelijk aan te verhogen, maar niet hoger dan het niveau waarop de pup rustig kan blijven tijdens de stimulus (anders bestaat het risico op sensibilisatie). De intensiteit mag dagelijks worden verhoogd; de omgeving moet dagelijks worden verrijkt met nieuwe stimuli en te ontdekken dingen.
- het gehoor, de tastzin en het gezichtsvermogen zijn het belangrijkst.
- vanaf 5 weken moet er interspecifieke socialisatie plaatsvinden: pluimvee, konijnen, katten, cavia's, enz. Interspecifieke socialisatie is selectiever dan intraspecifieke socialisatie. Bijgevolg moeten de pups aan verschillende soorten dieren worden blootgesteld, maar ook aan verschillende soorten mensen: kinderen, bejaarden, gehandicapten, vrouwen, mannen, enz.
Dr B. Villers